Na week 36

  • output

Als hij overweegt deel te nemen aan de jaarlijkse bijeenkomst van zijn jaarclub vraagt hij zich af hoe dat kan met behoud van afstanden. Als hij de hond uitlaat schat hij hoeveel mensen hij wanneer tegen zal komen en hoe goed die zich hebben gehouden aan de voorschriften. Als hij de dagelijkse waren wil kopen die vroeger door bakkers, slagers, groenteboeren en drogisten aan de man werden gebracht vraagt hij zich af of hij al dan niet met mondkap en handschoeisel de supermarkt in zal gaan of ze via webwinkels zal laten bezorgen. (Zijn prsoonlijke economie is als ABP-pensionado stabiel, zo lijkt het voorlopig.)

Als hij wil weten hoe het zit met bruikbare kennis over de pandemie ziet hij overweldigende hoeveelheden data en een kaleidoskopische verzameling uiteenlopende verhalen. Meneer Sum is nu 37 weken onderweg in zijn persoonlijke bubbel die met al die andere persoonlijke bubbels de Nederlandse COVID-19 bubbel vormen.

In die verhalen valt op dat een aloud onderscheid vaak in de wind wordt geslagen: het onderscheid tussen (i) aan observaties toetsbare en getoetste stellingen en (ii) op dogmata rustende overtuigingen. Wat hem daarbij vooral treft is hoe gemakkelijk redeneringen stilzwijgend verspringen tussen deze twee modi. Iemand als Maurice de Hondt (die toch beter zou moeten weten) laat een sprekend voorbeeld zien als hij in emotionele TV-optredens overspringt van (i) een getoetste stelling over aerosolen naar (ii) de door geen enkele waarneming ondersteunde overtuiging dat afstand houden voor het beteugelen van COVID-19 besmettingen onnodig is.

De waarnemingen wijzen helemaal niet naar enkelvoudige, simpele gevolgtrekkingen. In tegendeel, denkt meneer Sum, die er een overzicht van geeft voor Nederland gedurende/na de eerste 36 weken van de pandemie in Fig. 1.

Fig. 1 Waarnemingen voor Nederland na week 36 van de pandemie

Fig 1 heeft vier plotjes. De getoonde informatie is teveel om hier te bespreken. Maar Sum durft op basis ervan wel een aantal via waarneming toetsbare stellingen te formuleren.

  1. In Nederland is vier weken na de registratie van het eerste Nederlandse COVID-19 sterfgeval in week 10 een beleid in gang gezet dat de afwijking zou kunnen verklaren tussen verhoudingen tussen de waargenomen en de R0-curves. Een afwijking die via kalibreren in week 13 duidelijk wordt (zie Graph 0 in Fig.1). Week 13 eindigt op 31 maart 2020. Rutte en Grapperhaus kondigden de “intelligente lockdown” af in een persconferentie op 23 maart.
  2. In Nederland lopen de aantallen COVID-19 besmettingen en sterfgevallen met elkaar in de pas gedurende de eerste weken (tot 19 mei, week 20). Daarna stabiliseren de aantallen sterfgevallen zich terwijl de aantallen besmettingen sterk oplopen (zie Graph 1 en Graph 2 in Fig.1). De factoren die aan die ontwikkeling bijdragen zijn onduidelijk en vermoedelijk niet enkelvoudig.
  3. In de negen jurisdicties die Sum in zijn projectje betrok kan het beleid worden vergeleken in een algemeen getal: het BND-getal (het bruto nationaal dodental). Hoe dat getal (uitgedrukt in het aantal sterfgevallen per miljoen burgers) zich in de eerste 36 weken van de pandemie in de negen jurisdicties ontwikkelde is te zien in Graph 3 (in Fig. 1). Er zijn twee structuren van BND curves te onderscheiden: de eerste tendeert naar horizontale afvlakking en de tweede naar lineaire groei. Van de laatste soort zijn er drie: De USA, Brazilië en Zuid-Afrika. Opmerkelijk is daarbij dat de economische ontwikkelingen bij die laatste drie tot de meest ongunstige behoren (zie Fig. 2).
Fig. 2 Quarterly GDP dynamics for 9 jurisdictions

De getallen zijn gebaseerd op twee databases, één van de EU en één van de OECD. Fig. 1 en Fig. 2 wekken verwondering. Waarom zijn er zulke verschillen tussen jurisdicties? En waarom zijn de percentages sterfgevallen van besmettingen zo verschillend in de eerste en de later perioden? Antwoorden zijn vermoedelijk complex. Misschien iets voor Maurice de Hondt om zijn aandacht op te richten en om zijn energie aan te besteden?

Waar rekening mee gehouden zou kunnen worden is dat het tijdsverloop tussen besmetting en het optreden van ernstige symptomen in de eerste en de tweede golf verschillend zal zijn geregistreerd. Dat zou nog tot onaangename verassingen kunnen leiden. Zo zou in de eerste golf het opmerken van besmettingen beperkt zijn en ongeveer samenvallen met het optreden van zorgwekkende symptomen — terwijl nu, in de tweede golf, de testpraktijk is aanmerkelijk is verruimd zodat besmettingen in een veel eerder stadium bekend worden. Dat zou kunnen wijzen naar dat een heftige 2e-golftoename van mensen met ernstige symptomen nog komen kan.

Zo niet, dan hebben we een interessant raadsel.