Botsende waarheden in Nederland rond 1 april 2021

  • opinie

Ik denk dat de Kamervergadering van 1 april botsende religieuze en wetenschappelijke waarheden liet zien zoals ze in het politieke debat kunnen werken binnen de Nederlandse cultuur. Fracties ontwikkelen hun eigen identiteiten, die gekoppeld zijn aan die van hun partijen en aan die van de regeringscoalitie (als ze daar deel in hebben). Die vertegenwoordigen wat ik religieuze waarheden noem, ook als het om morele overtuigingen gaat die niet godsdienstig verankerd zijn. De Kamervergadering van 1 april laat bovendien zien dat er waarheden zijn die vormen van gezag kunnen laten gelden die uitstijgen boven religieuze waarheden, ik noem hen respectievelijk wetenschappelijke- en sturingswaarheden. De wetenschappelijke waarheden komen tot hun recht bij het al dan niet accepteren van wat de minister-president zegt te zijn vergeten. De sturingswaarheden komen tot uiting in het formuleren van de moties en in de manieren waarop ze werden aangenomen en verworpen.

Op 17 maart 2021 waren er parlementaire verkiezingen in Nederland. Op 31 maart kwam het nieuwe parlement voor het eerste in vergadering bijeen. De vertegenwoordiging van de burger wordt in het Nederlandse parlement vormgegeven door parlementariërs die door politieke partijen op kieslijsten worden geplaatst en bij vrije verkiezingen waren gekozen. Als een partij meer verkozen parlementariërs verwerft vormen die in het parlement een fractie. Het Nederlandse parlement heeft op 31 maart 150 Kamerleden, verdeeld over 17 fracties.

Op 15 januari 2021 was de regering afgetreden vanwege de kindertoeslagenaffaire (zie het citaat). Tussen 17 maart en 1 april werden alvast verkennende activiteiten ontwikkeld of en zo ja welke fracties tezamen een regering zouden kunnen gaan vormen die voldoende steun in de kamer had. Gelet op de zetelverdeling en het aantal fracties is een Nederlandse regering traditioneel alleen via een coalitie tussen fracties te vormen. Één van de twee verkenners hoorde op 25 maart tijdens een vergadering dat ze met het coronavirus was besmet, graaide haar stukken bijeen en snelde naar buiten, naar huis. Buiten werd ze gefotografeerd. Op die foto werd zichtbaar wat er op het buitenste stuk stond. Dat stuk bevatte de agenda. Op de agenda stond de naam van het Kamerlid dat de kwestie aan het licht had gebracht die tot het aftreden van de regering leidde. Op de agenda stond niet alleen die naam, er stond achter ‘functie elders?’ De suggestie was gewekt dat gesprekken werden gevoerd over het op een zijspoor zetten van een lastige, maar zojuist met grote steun herkozen volksvertegenwoordiger.

Na het bekend worden van de foto werd de verkenning gestopt tot de eerstvolgende Kamervergadering waar de vraag wat dat agendapunt eigenlijk betekende aan de orde zou worden gesteld. Die vergadering vond plaats op 31 maart maar werd geschorst tot 1 april om nadere documenten beschikbaar tte maken. De vergadering van 1 april leidde tot een steeds beschamender vertoning. In de voorafgaande week had de minister-president desgevraagd meermalen via de pers verzekerd dat het agendapunt niet door hem in de verkennende besprekingen naar voren was gebracht. Voorts suggereerde hij dat het Nederlandse staatsrecht niet toestaat om de verkenners (die hun functie hadden teruggegeven) verantwoording te laten afleggen aan het parlement. Die laatste suggestie werd op 31 maart al als onhoudbaar beoordeeld. En de opgevraagde documenten (waaronder de ambtelijke verslagen van de verkennende besprekingen) maakten op 1 april duidelijk dat de enige persoon die over genoemd Kamerlid had gesproken de minister-president was.

Diens reactie was dat hij zich dat niet kon herinneren. Hij aanvaardde het verslag, maar kon zich het onderwerp naar eer en geweten niet herinneren, ook niet na het verslag te hebben gelezen. Niemand geloofde hem. Elke keer dat hij een leugenaar werd genoemd verklaarde hij geen leugenaar te zijn omdat hij het gebeuren naar eer en geweten vergeten had. Het werd een beschamende vertoning. Uiteindelijk werd een motie van afkeuring aangenomen, door alle Kamerfracties behalve de zijne gesteund, en werd een motie van wantrouwen verworpen, maar door alle niet tot de regering behorende fracties gesteund.